De ondergrondse oorlogvoering is een steekspel tussen geallieerden en Duitsers. Beiden zijn immers, maart 1916, op de hoogte van elkaars tunnelwerkzaamheden. Alleen weten ze niet waar de Duitse of Britse tunnels precies liggen. Een Britse tunnelgraver getuigt: “Je wist dat ze daar ergens waren. Maar je had er het raden naar wat ze precies in hun schild voerden. Zolang je ze kon horen werken, was het goed. Zodra het stil werd, kwam de angst …”
Een mineur getuigt: “Plots waren ze stil! Honderden gedachten raasden door mijn hoofd. Wat waren ze van plan? Waren ze klaar? Zouden ze nu de lading afvuren en ons met al onze explosieven mee opblazen?”
Bij Petit Bois bijv. laten de Duitsers op een diepte van 15 meter verschillende mijnladingen ontploffen in de hoop Britse tunnels te treffen. Op 10 juni 1916 is het raak. Een Duitse lading vernietigt de Britse tunnel over een totale lengte van 90 meter. 12 Sappers zitten 27 meter diep onder de grond vast in een tunneltje van 1m20 hoog en 90 cm breed. Het duurt zes en een halve dag vooraleer de tunnel hersteld is en de 12 bereikt worden. Slechts één Sapper komt er levend uit, William Bedson, een mijnwerker uit Rotherham. Zijn 11 metgezellen liggen begraven op de Britse begraafplaats, Kemmel Château.
Het afluisteren van de werkzaamheden van de tegenstander, wordt meer en meer van levensbelang. Een weldoordacht systeem wordt uitgewerkt om ieder ‘vijandig’ geluid op te vangen. Alle gegevens worden bovengronds verzameld en op elkaar afgestemd; tegenacties worden afgesproken…

De gedachte dat de vijand hen mogelijks voor zou zijn, moedigt beide partijen aan om harder te werken, zodat ze niet zouden ‘achterblijven’ en kwetsbaar zouden worden voor de vijandige mijnen. Men wil elkaar telkens een stap voor zijn. Zo zwengelt de ondergrondse oorlogvoering zichzelf meer en meer aan.