Het zeer uitgebreide netwerk van ondiepe tunnels situeert zich tussen de 5 en de 10 meter diep. De ontploffingen van de mijnen in deze tunnels zijn niet krachtig genoeg om de linies van de vijand ook echt te doorbreken. Het is de Brit Norton Griffith die op de proppen komt met een nieuw idee. Hij bedenkt het plan om op 11 locaties, 15 à 40 meter onder de Duitse stellingen, tunnels te graven in de droge blauwe klei. Iedere tunnel zou uitkomen op één of verschillende munitiekamertjes. Op die manier worden de Britse lager gelegen posities in de ondergrondse oorlog een troef, want ze moeten minder diep graven dan de Duitsers - die hoger gelegen zijn.
Bovendien worden de Duitse graafwerken sterk gehinderd door een ‘ondoordringbare met water verzadigde zandlaag’. In januari 1916 wordt het plan om de heuvelrug van Wijtschate- Mesen op een grootschalige manier te ondergraven goedgekeurd. Hiervoor worden er speciale graafeenheden opgericht die bestaan uit mijnwerkers en rioolarbeiders, ‘Tunnellers’ genoemd. Wanneer in maart 1916 zo’n dieptemijn bij St. Elooi ontploft, stellen de Duitsers tot hun verbijstering vast dat de Britten de ondergrondse oorlogvoering naar een dieper niveau hebben gebracht. En hier zijn ze niet op voorbereid. Zijn de Britten ook nog op andere plaatsen onder onze linies aan het graven? Het vermoeden is groot, maar er is geen zekerheid. Spoedig richten ze ook eigen graafeenheden op, de ‘Mineurs’. Er moet ook een nieuwe techniek ontwikkeld worden om doorheen de met water verzadigde zandlaag te kunnen graven.