De Tunnellers
Print pagina

Als mollen aan de slag

In januari 1916 starten de Britten hun grootste graafwerken. Meer dan 1.500 Tunnellers nemen in alle stilte hieraan deel. Zij krijgen de technische steun van zo’n 6.500 genie soldaten, de ‘Sappers’.

The_British_Tunneller            Clay_kicking

Het succes van dit plan staat of valt met twee elementen: absolute geheimhouding van het Britse opzet en de graafwerken dienen in alle stilte uitgevoerd te worden. Gebarentaal wordt een gewoonte want in de tunnels mag niet gepraat worden. Alles wat geluid kan maken wordt gedempt: laadkarwielletjes zijn uit hout of rubber gemaakt, Sappers binden vodden rond hun schoenen en vloeren worden bekleed met zandzakjes … De Britten gebruiken een speciale stille techniek om de klei los te maken: het clay kicking. De Duitsers daarentegen gebruiken een pikhouweel, en nemen het soms minder nauw met het maken van lawaai. Dit tot grote vreugde van de Britten.

De industrialisatie en mechanisatie speelden in de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol. Zo waren staal en steenkool de voedingsbron voor vele ‘oorlogsfabrieken’. Maar dat het soms ook fout liep, bewees de ondergrondse graafmachine bij Petit Bois.

Het graven van de 6 km lange tunnels onder Duitse stellingen was enorm arbeidsintensief. Daarom beslisten Britse ingenieurs om mechanische graafmachines in te schakelen in de Ieperse blauwe klei. Deze machines werden eerst bijgesteld omdat ze dienden in de Britse kolenmijnen. Op 4 maart 1917 bij Petit Bois, werd op een diepte van 24 meter voor het eerst zo een elektrische graafmachine uitgetest. Het experiment ging echter de mist in: de machine liep vast in de zuigende kracht van de natte blauwe klei. Bovendien had ze steeds de neiging om naar beneden te graven in plaats van rechtdoor. Na maanden traag boren en 64 meter vooruitgang – 6,1 cm per uur – werd de 7,5 ton zware machine stilgelegd. Deze bevindt zich nu nog ergens bij Petit Bois onder de grond. De geallieerden waren dus verplicht om de tunnels met hand en schop verder te graven.

Een getuigenis van Private Donald Hodge, Royal West Kent Regiment: “Ik heb aan vele bommen en sluipschutters het hoofd moeten bieden maar ik heb nooit gehouden van het mijnwerk. Het was bedompt, vuil, benauwend, gevaarlijk en gewoonweg beangstigend. Op handen en voeten kroop je beneden, uren aan één stuk. Je was een onderdeel van een lange keten mannen die zakken door de benen doorgaven. Rechtop kon je niet staan omdat de gang maar 1m20 hoog was. En toen je eruit kwam, kon je ook niet rechtop staan omdat je uren in een gehurkte positie had gezeten.”