Door de onderwaterzetting van de IJzervlakte én de wedloop naar zee komt de regio Ieper centraal te staan bij beide oorlogvoerende partijen. Enkel hier is een Duitse doorbraak nog mogelijk naar de Franse havens van Calais en Duinkerke. De heuvels van Wijtschate-Mesen en van Passendale vormen de laatste natuurlijke hindernis richting Noordzee. Ze dienen kost wat kost verdedigd te worden, waardoor de strijd zeer hard en onmeedogenloos is. Een Duitse doorbraak kan evenwel verijdeld worden.
Uitgeput van deze zware gevechten én met de winter voor de deur, graven beide legers zich in. De bewegingsoorlog valt stil en gaat over in een loopgravenoorlog. Over een lengte van 750 km, tussen de Noordzee en Zwitserland, ontstaat één versterkte frontlijn: een aaneenschakeling van bunkers, loopgraven, prikkeldraad … Hét probleem van de Eerste Wereldoorlog is hoe die verstarde frontlinie, die patstelling, doorbroken kan worden. Nieuwe technieken (gas, vlammenwerper, tank) en tactieken worden ontwikkeld. In onze regio neemt de frontlijn de vorm aan van een omgekeerde S. De Duitsers zitten op de heuvels, onderaan de Britten. Niets ontgaat aan de blik van de hoger gelegen Duitsers. Hierdoor zijn de Britten verplicht al hun werkzaamheden in de Ieper Salient en voor de Wijtschate-Mesen boog ’s nachts uit te voeren.
|
|
|
|